Anno 7 mei 1945: het trauma van Jutphaas

De nu 86-jarige Jan Zwezerijnen (we spreken over het jaar 2015 toen we het interview afnamen) klom onlangs in de pen om zijn verhaal weer te geven van de schietpartij, die op de kop af zeventig jaar geleden onder zijn ogen plaatsvond vlakbij Hotel de Zwaan aan de driesprong Dorpsstraat-Nedereindseweg-Herenstraat. Geschiedschrijver Piet Daalhuizen noemt de schietpartij niet voor niets ‘het trauma van Jutphaas.’ Het dorp sloeg dicht. Tot op heden willen weinig bewoners iets over de toedracht van het drama vertellen.

Spelerskaart uit 1946 van Jan Zwezerijnen  die toen bij JSV speelde (bron: Jan Zwezerijnen zelf) 

Jan Zwezerijnen: ‘Het was een mooie zonnige dag, die zevende mei 1945. De oorlog die vijf lange jaren had geduurd was eindelijk voorbij. De vrede was twee dagen ervoor al getekend. Maar dat wilde niet zeggen dat alles nu in één keer voorbij was. Het wemelde in Jutphaas nog van de Duitse militairen. Ze lagen nog overal ingekwartierd, ook bij hotel De Zwaan waar toen Jan Vendrig de scepter zwaaide.’

‘Het was als een lopend vuurtje door het dorp gegaan dat ‘s middags om twee uur de geallieerden zouden komen. Je zult begrijpen dat wij er graag bij wilde zijn om hen te verwelkomen. We hadden daar tenslotte vijf jaar op gewacht. Een flink aantal mensen stonden al bijtijds langs de Dorpsstraat; verschillende met bloemen.’

De driesprong Dorpsstraat/Herenstraat/Sluisje

‘Met mijn kameraad stonden wij op de driesprong Dorpsstraat-Nedereinseweg naast hotel De Zwaan. Dit punt moet je goed voor ogen houden, want hier ging het gebeuren. We hadden al zeker drie kwartier staan wachten toen er eindelijk een Canadese militair op een motor voorbij kwam en even later weer terugreed. Dat was niet wat we er van verwacht hadden.’

‘Een poosje later kwam uit de richting Vreeswijk een Duitse soldaat op een motor aangereden. Hij zette zijn motor tegen de balie langs de Vaartse Rijn, precies tegenover de plek waar wij stonden. Het was duidelijk dat die kerel straalbezopen was. Hij had de grootste moeite om zijn stengun uit zijn tas te halen. Hij viel bijna over zijn motor heen, waarna een luid gejuich van de aanwezigen opsteeg. Hij wankelde weer naar zijn tas om het magazijn voor de stengun te pakken. Hij liep zwaaiend met zijn wapen op de aanwezigen af en schreeuwde “raus, raus, nach haus” De meeste mensen wisten niet hoe gauw ze weg moesten komen, maar eigenwijs als jongens van 17 jaar kunnen zijn bleven we staan. Laat die mof barsten; de oorlog is afgelopen!’

‘De mensen van het verzet waren die middag bij het gemeentehuis (aan de Herenstraat) bijeengekomen. Twee van die mannen kwamen, toen die mof liep te schreeuwen, op hem aflopen. Ze hadden om hun arm een band met de letters BS ( Binnenlandse Strijdkrachten) en achter hun rug droegen ze een stengun. Ze waren de Duitser al op een paar meter genaderd toen hij ze pas zag. Hij keek, maar voordat hij wat kon doen richtte de twee BS-en hun wapen op hem en vuurde allebei een salvo kogels door de kop van de Duitser.’

‘Hij zakte door zijn knieën en viel voorover op de straat. Een gejuich steeg op van de paar aanwezigen die blijven staan waren. De twee BS-en liepen hard terug naar het gemeentehuis. En dat was maar goed ook, want direct daar na kwamen tientallen Duitse soldaten bij Vendrig het hotel uit. De mensen die er nog stonden gingen ook zo gauw ze konden weg. Ook mijn maat en ik liepen hard richting het gemeentehuis. Wij hadden geluk, want mijn zus woonde schuin boven kapper Spronk. Dat was halverwege de plaats waar het gebeurd was en het gemeentehuis.’

‘De deur was los dus wij renden snel naar boven en deden de deur dicht. Buiten was de oorlog uitgebroken. Er werd volop geschoten en we hoorden ook harde knallen van handgranaten. Na enige tijd werd er keihard met een geweerkolf op de deur gebeukt en werd er geschreeuwd:’alle männer rausch!’ Boven waren we met mijn zwager, mijn zuster en mijn moeder. Mijn zwager werd zo bleek als een lijk en zei: ‘ik verrek het, ik doe niet open.’ En die mof maar beuken en schreeuwen. Ik zei: ‘ik doe wel open, want anders trappen ze de deur in of ze schieten door de deur heen.’

‘Ze waren tot alles in staat, dus ik trok aan het touw en de deur ging open. Toen schreeuwde hij nogmaals dat alle mannen naar buiten moesten komen. Mijn maat en ik gingen de trap af en ook mijn moeder ging met ons mee. Ze zei: ‘ik laat die jongens niet alleen gaan.’ Ze was dapper, flinker dan mijn zwager die het huis niet uit ging. Beneden aangekomen moesten we met onze handen omhoog door een haag van soldaten, die hun geweren op ons gericht hielden, lopen. Er liepen nog veel meer mannen voor ons.’

‘Wij gingen eerst de Nedereindseweg op en toen we bij de Wilhelminastraat (nu de Stormerdijkstraat) kwamen, stonden daar twee soldaten om te zorgen dat er niemand de straat in zou vluchten. Wij hadden geluk. Die twee soldaten waren Oostenrijkers die niks van de nazi’s moesten hebben. Zij lagen bij onze buren ingekwartierd en ik had ze wel eens gesproken. Ik vroeg of wij er door mochten. Ze zeiden ‘schnell’, nou dat waren we wel! Wij gingen gauw naar huis; voor ons was het afgelopen.’

‘Maar niet voor al de andere mannen. Die werden allen zo’n vijftig meter bij één van de huizen aan de Nedereindseweg bij mekaar gedreven en zouden gefusilleerd worden. Eén van de mannen was Driekus van de Brink. Hij was één van de schutters en hij had gauw zijn band afgedaan. Gemeentesecretaris De Rooij ging met de Ortscommandant praten en vertelde hem dat er gebeld was met de geallieerden in Utrecht en dat hij eieren voor zijn geld moest kiezen. Hij maakte de goede keus, de mannen mochten vrij.’

‘En wie was de andere schutter? Dat was de zoon van dominee Hanselaar. Hij woonde twee huizen voorbij het gemeentehuis. Daar waren de soldaten naar binnen gegaan en trokken de deur van de kelderkast open en.. daar stond Hanselaar met de BS-band nog om zijn arm. Hij is toen volgens de overlevering door meerdere kogels gedood. Bij de gevechten zijn nog enkele dorpsgenoten omgekomen welke door Eric (in de Anno van 2 mei 2014, EZ) genoemd zijn.’

‘‘s Avonds, ik denk zo rond een uur of zeven, kwamen dan eindelijk na vijf lange jaren wachten, onze bevrijders op brencarriers de straat in. De toegestroomde menigte begon spontaan het Wilhelmus te zingen. Ik weet niet de of strofe “Ben ik van Duitse bloed” door iedereen beaamd werd. De chocola en sigaretten vonden gretig aftrek. Zo kwam er toch nog een mooi einde aan deze onvergetelijke dag. Maar helaas niet voor iedereen!’

‘De volgende dag, met opnieuw stralend weer, was voor ons een héél plezierige dag, Grote colonnes Duitse soldaten vertrokken bepakt en bezakt, met kinderwagens, fietsen en karren via de Nedereindseweg. De jeugd liet zich niet onbetuigd; ze werden nagejouwd en met stenen bekogeld. Nou ja, we mochten wel iets terugdoen, niet waar?’

Wees betrokken. Reageer en geef een reactie op bovenstaand artikel!

Onze adverteerders maken pen.nl mogelijk