Market Garden, de operatie die tot doel had Nederland versneld van de Duitse bezetters te bevrijden door een aanval met parachutisten achter de Duitse linies, mislukte in september 1944, zestig jaar geleden, jammerlijk. De geallieerden moesten zich na de slag om Arnhem terugtrekken. Een van de vliegtuigen die aan de slag deelnam, werd op 20 september 1944 neergeschoten nabij Jutphaas.
Het neergeschoten vliegtuig, dat neerkwam in het gebied dat nu bekend staat als Plettenburg-De Wiers, was een Mustang III, een eenpersoons jager die tot doel had bommenwerpers te escorteren. Ook werd het toestel gebruikt om verrassingsaanvallen uit te voeren. De bewapening van het vliegtuig bestond uit vier 0.30 inch- en twee 0.50 inch-machinegeweren in de neus van het toestel. Deze standaardbewapening is vele malen aangepast aan veranderde omstandigheden.
Bij Vreeswijk werd op 13 november 1944 in de Lek het lichaam gevonden van de Britse corporal Frederick H. Hooper, legernummer 5125343. Hij werd 22 jaar oud. Hooper behoorde tot de B-Compagnie van 1st Airlanding Brigade 2nd Airborne Battalion, een onderdeel van de 1st Airborne Division. Van oorsprong behoorde Hooper tot The South Staffordshire Regiment. Hij werd op 26 september als parachutist bij Arnhem gedood. Zijn lichaam belandde in de Rijn en werd op 12 november bij Vreeswijk in de Lek gevonden. Frederick Hooper ligt begraven op het Protestantse Kerhof in Vreeswijk, grafnummer 4.
De Mustang die in Plettenburg neerkwam, werd in de tweede helft van 1940 in 120 dagen ontworpen door de vliegtuigfabriek North American in Dallas. Het toestel moest een volwaardige tegenstander worden voor de Duitse jachtvliegtuigen die de geallieerden enorme verliezen toebrachten met hun aanvallen op formaties bommenwerpers. Tot dan konden de geallieerde jagers de formaties bommenwerpers slechts begeleiden tot over een afstand van 420 km. Her bereik van de Mustang was veel groter. De Mustang III werd niet alleen ingezet door de Amerikanen, maar ook door de Engelsen.
De Engelse Royal Air Force gebruikte het toestel bij vele squadrons, onder meer ook bij het 315e squadron Poolse vliegers. Een van de Polen die vanaf juli 1941 van dit squadron deel uitmaakte was de 25-jarige sergeant Tadeusz Jankowski. In juni, juli, augustus en september 1944 werd het 315e squadron ingezet bij vele operaties die vanuit Engeland naar het vaste land van Europa werden uitgevoerd.
Het overzicht van de raids waaraan Tadeusz Jankowski heeft deelgenomen vermeldt geen vluchten rond D-day (6juni 1944), hoewel de Mustang MK-III daarbij wÈl is ingezet om de geallieerde bruggenhoofden in het zojuist bevrijde deel van Frankrijk te beschermen.
Tijdens de raids waaraan Tadeusz Jankowski deelnam in 1944 heeft hij zich onderscheiden door dapperheid en wist hij met succes enkele Duitse jachtvliegtuigen aan te vallen en neer te halen. Daarvoor werd hij onderscheiden met het Cross of Merit (= het Erekruis van verdienste voor Poolse vliegers in dienst van de Royal Air Force (RAF)). De onderscheiding werd hem toegekend 'in silver with swords'.
Op 20 september 1944 keerde hij terug van een missie naar het slagveld van Market Garden. Nabij Jutphaas werd zijn toestel geraakt door luchtafweer vanaf de grond. De piloot kon zijn vliegtuig niet meer in de lucht houden en met een lange glijvlucht dook de Mustang in de moerassige grond in het gebied nabij de Bongenaer. Tijdens die vlucht werd door een vleugel van het neerstortende toestel de 13-jarige Jopie Hoveling, die bij zijn vader op het bouwland was, dodelijk aan het hoofd geraakt. Vlieger Tadeusz Jankowski, die ook zijn toestel de Mustang III met het registratienummer FB367 niet meer had kunnen verlaten, kwam om in het neerstortende toestel.
Enkele dagen later was de uitvaart van de beide slachtoffers vanuit de H. Nicolaaskerk van Jutphaas. Op het kerkhof naast de kerk werden Jopie Hoveling en Tadeusz Jankowski naast elkaar begraven. Het stoffelijk overschot van de Poolse vlieger is in de jaren zestig overgebracht naar het Poolse Oorlogskerkhof in Breda; grafnummer E-4-7.
Europa wordt er anno 1937 niet gezelliger op. Krijgszuchtige nationalisten hebben in Italië en buurland Duitsland reeds de macht en proberen die in Spanje via een Burgeroorlog te verkrijgen. De economische crisis, die de wereld in de jaren dertig in de greep houdt, vormt een vruchtbare voedingsbodem voor extremistische denkbeelden.
Overheidsinvesteringen in infrastructuurprojecten moeten de economie er weer bovenop helpen. Zo komt eind 1937 een rijksweg tussen Utrecht en Vianen gereed. “Automobilisten zullen dan de tollen te Jutphaas en Vreeswijk vermijden door vanaf de nieuwe brug rechtdoor te rijden”, voorspelt het Utrechts Nieuwsblad al tijdens de aanleg. De “nieuwe brug” is de in 1936 opgeleverde boogbrug over de Lek bij Vreeswijk. Ook aan waterwegen wordt gewerkt. Zo wordt ten oosten van Plettenburg het Lekkanaal gegraven, want het smallere Merwedekanaal kan de uitdijende scheepvaart niet meer aan. Ook de schippers zullen Jutphaas en Vreeswijk in de nabije toekomst links laten liggen.
JSV heeft begin 1937 wel andere zaken aan het hoofd, zoals het kampioenschap van de eerste klasse. Sinds 1933 maakt JSV deel uit van deze hoogste UPVB-klasse. Met vier verliespunten achterstand op koploper Soesterberg en nog negen speelronden voor de boeg zet JSV zondag 10 januari de achtervolging in. Dat gebeurt bij De Raven, waar het volgens het UN “mede dankzij den uitstekend spelende midvoor Vroman” een zwaarbevochten 3-2 overwinning boekt. Die levert anno 1937 overigens slechts twee punten op.
Een week later zet rechtsbinnen Zwezerijne (spelling UN) JSV in eigen huis tweemaal op voorsprong tegen Gooische Boys, maar het moet uiteindelijk genoegen nemen met een gelijkspel (3-3). “Keeper Swezerijne heeft er” naar de mening van het UN de volgende wedstrijd tegen ESVAC “bijzonder goed kijk op”, waardoor de punten uit Soest kunnen worden meegenomen (0-2).
Vervolgens gaat Volharding in Jutphaas over de knie (7-1). “Center Vroman, Zwezerijne en Kerkhof waren het best op dreef en namen ook de doelpunten voor hun rekening.” Bij het Utrechtse DWSV wordt daarna niet alleen de winst (3-5), maar ook de koppositie gepakt. “Vroman blijkt in de voorhoede de beste man te zijn. Tactisch verdeelde hij het spel.”
Ook VVOG wordt aan de zegekar gebonden (3-0), maar tegen Driebergen lijdt onze club een “onverwacht verlies. JSV speelt te kalm” en weet dankzij “rechtsbinnen Lit” pas in het slotkwartier twee keer het net te vinden. Dat is onvoldoende om de 0-3 achterstand goed te maken.
Gelukkig morst Soesterberg ook punten en vervult JSV, geholpen door twee treffers van Vroman, wel haar plicht tegen ‘s Graveland (3-0). Met één punt achterstand op het uitgespeelde Soesterberg reist JSV op zondag 23 mei af naar Vreeland, waar hekkensluiter Sperwer de laatste horde vormt. Het Utrechts Nieuwsblad doet ook van deze kampioenswedstrijd verslag:
“Er bestond voor dezen wedstrijd groote publieke belangstelling, niet alleen uit Jutphaas doch ook uit Soesterberg. Op het terrein zagen wij Mr.J.J.M. Hamers, Burgemeester van Jutphaas en enkele bestuursleden van den U.P.V.B.”
“De bezoekers vallen onmiddellijk aan en na 10 minuten spelen geeft A.Vroman met een hard schot aan J.S.V. de leiding. Uit een strafschop brengt Eikenaar de partijen op gelijken voet (1-1). J.S.V. behield het beste van het spel, na 23 minuten spelen geeft Geijtenbeek een goede voorzet, W.Kerkhof schiet den bal ineens onhoudbaar in het Sperwer-net (1-2). De rust komt met 2-1 voor J.S.V.”
“Na de rust blijkt dat Sperwer de moed niet opgeeft want ze is nu sterk in den aanval doch weet geen doelpunten te maken. Na een snelle aanval vergroot W.Kerkhof den voorsprong (1-3). Uit een voorzet van Schrijvers schiet W.Kerkhof den bal hard in het Sperwer-doel: 1-4. Met de gastheeren in den aanval kwam tenslotte het einde met een 4-1 zege voor J.S.V. J.S.V. promoveert daardoor naar den K.N.V.B. Een fraaie prestatie van J.S.V., waarmee ook wij deze club van harte gelukwenschen.”
Daarvoor is anderhalve week later alle gelegenheid, zo weten we van de krant zelf. “In verband met het behaalde kampioenschap der eerste klasse UPVB en de daaraan verbonden promotie naar den KNVB zal het JSV-bestuur een receptie houden op donderdagavond 3 juni aanstaande van half zeven tot half acht in Hotel de Roskam te Jutphaas. Aanvang 8 uur is er tevens een feestavond voor leden en genodigden.”
Vroman en Schrijvers slaan op het festijn mogelijk zo nu en dan een drankje af. Zij spelen drie dagen later in Amerongen namelijk met een UPVB-elftal tegen een provinciale KNVB-selectie; Schrijvers op zijn vertrouwde middenveld, Vroman als linksback (!) in een tweemans-verdediging. Want het UPVB-team hanteert het in die tijd gangbare 2-3-5-systeem, waarmee het de grote jongens van de KNVB met 2-1 aftroeft.
Het UN dicht Schrijvers de voorletters “Th.” toe. Volgens erevoorzitter Terlouw heet hij Joop, net als de snelle JSV-linksbuiten Geijtenbeek. Rechtsbinnen Zwezerijne (al dan niet met een ‘n’ op het eind) moet Cees zijn en steraanvaller Vroman Anton.
Op zondag 19 september 1937 maakt JSV op eigen bodem haar KNVB-debuut. Misschien dat de vage actiefoto hierboven daar wel van getuigt. Het plaatje is tenslotte genomen in 1937 en helpt ons een beeld te vormen van het terrein aan de toenmalige IJsselsteinseweg. Op de achtergrond figureert de fabriek van zeepproducent Persil (tegenwoordig Henkel), die zes jaar eerder ontsproot naast de Doorslagsluis als opvolger van de negentiende eeuwse veevoederfabriek Cockuyt.
De debuutwedstrijd tegen Voorwaarts eindigt in een gelijkspel (2-2). “Midvoor Vroomhof brengt” volgens het Utrechts Nieuwsblad “de thuisploeg na een half uur aan de leiding” en gaat zo als eerste doelpuntenmaker in KNVB-verband de boeken in. Het zou ons niet verbazen als de UN-reporter ter plaatse de naam van goalgetter Anton Vroman verbasterd in zijn boekje heeft genoteerd.
JSV continueert anno 1937 de reeks in de vierde klasse H als volgt: Soest-JSV 2-2, JSV-PVC 0-3, Tricht-JSV 2-4, JSV-Woerden 1-4, JSV-Utrecht 5-2, Brederodes-JSV 5-1, JSV-EAC 1-4 en, ter afsluiting van het jaar, Voorwaarts-JSV 3-4.
Resteert ons de eindstand van de UPVB-eerste klasse in het seizoen 1936/'37 weer te geven: 1.JSV 22 gespeeld, 16 gewonnen, 2 gelijk, 4 verloren, 34 punten (70 goals voor, 41 tegen), 2.Soesterberg 22-33 (69-38), 3.DWSV 22-31, 4.Driebergen 22-26, 5.’s Graveland 22-25, 6.Stichtse Boys 22-24, 7.VVOG 22-21, 8.ESVAC 22-18, 9.De Raven 22-16, 10.Gooische Boys 22-15, 11.Volharding 22-12, 12.Sperwer 22-9.
Het was koud. Omdat het ook de vorige dagen koud was geweest, was het kleine laagje sneeuw dat de nacht ervoor viel blijven liggen. Normaal gesproken was het op de Taludweg, aan de Nieuwegeinse kant van het Amsterdam-Rijnkanaal, dan ook volkomen uitgestorven geweest. Maar dit was geen dag als alle andere. Dit was de dag (17 December 1983) dat, na jaren van voorbereidingen, de tramlijn tussen Utrecht en Nieuwegein officieel zou worden geopend. En daarom was het, in plaats van uitgestorven, vrij druk op het punt waar de tramsporen onder de weg doorgaan. Want er waren twee manieren om iets mee te krijgen van het officiële deel: een uitnodiging hebben voor de openingshandeling in en om de remise, òf kou lijden op de taludweg.
De meeste genodigden kwamen met bussen, maar sommigen met dienstauto's en politie-escorte, want verschil moet er zijn. Eenmaal aangekomen bleef niemand buiten plakken: zo snel mogelijk naar de warme hapjes en de drankjes was het devies. De kou lijdende kleine meute op de dijk stelde het zich zo in elk geval voor. Verveling had daar alle kans om toe te slaan, want wat er aan onalledaagse dingen te zien was is gauw verteld. Er was een houten noodperron gebouwd
(voor wie de situatie kent: in de buurt van de ingang van de wasstraat), en er was plotseling een stevig hek verrezen rond het remiseterrein. Dat laatste was voor velen die het idee hadden gehad om vrij rond te kunnen lopen over het terrein een fikse tegenvaller. De andere kant uit kijkend, richting Zuilenstein, viel de recent gebouwde voetgangersbrug op (de blauwe die een jaar of twee terug dicht ging). Toen was hij nog wit - dat heeft niet lang geduurd. Het wijdse uitzicht was toen nog heel vanzelfsprekend: de bomen aan die kant waren er nog helemaal niet, en de woonwijk Blokhoeve was nog ondenkbaar (dat gebied was toen nog bestemd als natuurgebied). Het laatste nieuwe wat die dag te zien was, was reclame op de zijwanden van een groot aantal trams. Tot dan toe was de enige decoratie gevormd door het 'S'-logo dat vier keer op de zijkant stond, van nauwelijks zichtbaar tot fel oranje.
De sterksten bleven over - velen gaven het wachten op en togen richting erwtensoep. Wie volhield werd beloond met, nu heel snel achter elkaar, een ietwat asymmetrisch versierde tram die door het openingslint reed dat voor één van de remisedeuren was gespannen, het instappen in die tram van de belangrijkste genodigden, en het vertrek.
Dat laatste betekende driekwart rondje om de remise heen, en dan onder de Taludweg door de hoofdbaan op naar Nieuwegein Zuid. Op de bestuurdersstoel niemand minder dan een latere Eurocommisaris, toen nog minister van verkeer en waterstaat Neelie Smit-Kroes. De vier trams bij het noodperron waren inmiddels gevuld met de minder belangrijke genodigden (wat een gezichtsverlies om daar bij te moeten horen - maar altijd nog beter dan kleumen op de dijk!) en reden twee aan twee gekoppeld achter de eerste tram aan.
Het officiële deel eindigde met een rit voor alle genodigden van Nieuwegein Zuid naar eindpunt Utrecht Moreelsepark
(inmiddels gesloten en afgebroken), en weer terug naar de remise voor de sluiting. De sluiting van de feestelijkheden wel te verstaan; niet van de tram. Want die werd vanaf dat moment in gebruik genomen door het publiek, dat massaal was toegestroomd om nu eindelijk eens een rit te kunnen maken.
Vele jaren lang hadden Utrecht en Nieuwegein last gehad van de ingrijpende aanleg van de lijn, en al ruim een jaar konden de bewoners kijken naar de glimmende, moderne trams die tijdens proefritten en instruktieritten voor het personeel al heel wat kilometers hadden gemaakt. Maar ermee reizen was nog maar weinigen gelukt. En klaar was alles bepaald nog niet.
De halte Nieuwegein Centrum, bijvoorbeeld, was gelegen in het midden van een woestenij die nog niets leek op het latere CityPlaza. En de bouw van de tak naar IJsselstein had veel vertraging opgelopen, waardoor de tweede halte, Nieuwegein Doorslag, nog een hele tijd als noodeindpunt dienst moest doen. Lastig voor de trambestuurders, want ze moesten van spoor wisselen over handbediende wissels, heel tijdrovend, maar goed voor de lijn!
De rest is geschiedenis. De tram trekt al meer dan 25 jaar zijn baantjes tussen Utrecht en de eindpunten in Nieuwegein en IJsselstein. Alle trams zijn al eens ingrijpend opgeknapt (nieuw interieur, nieuwe beschildering en nieuwe, minder hoekige voorkanten) en op het moment gebeurt dat opnieuw.
Ze kunnen dan nog een jaar of tien mee, voldoende om de overgang naar de volgende fase te kunnen halen: de fase van uitbreiding naar De Uithof (en wie weet waarheen nog meer), en ingrijpende modernisering van de bestaande lijnen. De tijd heeft niet stilgestaan, en regionaal railvervoer heeft door moderne lagevloertrams een steeds beter imago gekregen. Maar de inwoners van Utrecht en Nieuwegein kunnen trots zijn op 'hun' tram, want het was het eerste moderne bedrijf dat werd gebouwd na tientallen jaren van opheffingen van trambedrijven in andere steden in Europa. Tegenwoordig komen er jaarlijks meerdere trambedrijven bij (vooral Frankrijk, Spanje en Italië zijn enorm aktief) en is dat bijna vanzelfsprekend geworden. Dat was het in 1983 absoluut niet - dit is een pioniersbedrijf!
Voor diegenen die urenlang half bevroren op de Taludweg verbleven, camera's vastgeklemd in
gevoelloze vingers, is dat natuurlijk symbolisch De Plek gebleven. Een plek die nog heel herkenbaar is, ook al is door begroeiing en bebouwing het karakter helemaal veranderd.
De nog veel completere geschiedenis van de tram, van het transport per vrachtwagen van een splinternieuwe tram tot en met de spitstrams, is verkrijgbaar op DVD. Deze is via deze website te bestellen òf verkrijgbaar in de winkel bij Kuijper's Hobbyhuis aan de Minrebroedersstraat in Utrecht.
JSV is niet de enige club die in het wit speelt. Op het wedstrijdsecretariaat op Sportpark Galecop liggen daarom zwarte reserveshirts klaar. De kleurkeuze voor deze noodvoorraad getuigt van een groot historisch besef anno nu. JSV speelde tijdens de eerste jaren van haar bestaan namelijk in het zwart.
“In het seizoen 1929/1930 wordt JSV kampioen en het team promoveert naar de tweede klasse UPVB. Bij die gelegenheid wordt het zwarte tenue vaarwel gezegd. Vanaf dan draagt JSV een wit shirt, een zwarte broek en zwart-wit gestreepte kousen”, zo lezen we in een eerder aangehaald artikel van de Historische Kring uit 1992.
We zijn bereid de schrijvers Daalhuizen en De Reuver te volgen in hun bewering, zij het dat de promotie volgens het Utrechts Nieuwsblad van die dagen al in 1929 werd afgedwongen. Een kampioenschap is daar echter niet voor nodig én zit er ook niet in. Het Utrechtse WDO blijft nummer twee JSV, ondanks een 5-1 nederlaag in Jutphaas op 10 maart, met ruim verschil voor.
Nummer drie DES eindigt in punten gelijk met JSV, maar een voor die tijd gebruikelijke beslissingswedstrijd vinden we niet terug. We sluiten niet uit dat de UPVB onze club pas in de zomer bij het indelen doorschuift van de derde naar de tweede klasse. JSV pikt daarin overigens makkelijk aan en besluit het kalenderjaar op de derde plaats in de tussenstand, achter NIO en Vreeswijk.
DOS op het JSV-terrein
Voor het tweede elftal van JSV verloopt 1929 minder voorspoedig. Het team speelt een ondergeschikte rol in de reserve vierde klasse van de UPVB. Deze bond organiseert naast competities ook jaarlijks de strijd om de UPVB-wimpel, die te vergelijken valt met de tegenwoordige bekertoernooien. De wimpel gaat in 1929 naar het Utrechtse Holland.
Het net zo Utrechtse DOS (anno 2007 gefuseerd met Holland en de Stichtse Boys) komt op zondag 29 mei bij JSV langs voor de zogeheten seriewedstrijden; een toernooi dat over meerdere weekenden is uitgesmeerd. Vòòr aanvang van hun ontmoeting met All Ready gaan de Domstedelingen op de foto met een bloemstuk, dat zij uit handen kregen van de burgemeester van Jutphaas vanwege het behaalde kampioenschap in de vierde klasse van de NVB.
De veertigjarige Nederlandse Voetbalbond neemt op 8 december 1929 een nog veel mooier geschenk in ontvangst. Koningin Wilhelmina luistert het jubileum op door de NVB het predikaat ‘Koninklijk’ toe te kennen. De bond noemt zichzelf sindsdien de KNVB.
Tweede van links, met de handen op de knieën, staat Herman van der Vlist
Minder vrolijke berichten komen van Wall Street in New York, waar op ‘zwarte donderdag’ 24 oktober 1929 de aandelenkoersen extreem kelderen. Deze beurskrach vormt het startsein voor een wereldwijde economische crisis, die zich de gehele dertiger jaren laat gevoelen.
Tijdens die dertiger jaren moet overigens ook de foto genomen zijn van het jeugdige JSV-elftal, dat u elders op deze pagina aantreft. Het plaatje is geschoten op het veld aan de IJsselsteinseweg en werd ons toegespeeld door Annemiek Pothoven-van der Vlist, de dochter van één van de vastgelegde spelers. Het betreft Herman van der Vlist, die in de volgende Anno’s een hoofdrol zal spelen.
Dankzij dochter Annemiek weten we nog nauwkeuriger waar JSV in 1929 voetbalt. Zij geeft ons uitleg met behulp van een ansichtkaart. Daarop staat een rij middenstandshuizen, die in 1922 is opgeleverd. In één van de tussenwoningen (op nummer 19) groeit Herman van der Vlist op. “Direct achter de rij woningen (rechts op de foto) lag het voetbalveld. Nu staan daar de loodsen van Brové Plastics, tussen de Herenstraat en Kruyderlaan. Mijn vader en zijn broers liepen vanuit de achtertuin via een plank over de sloot zó het voetbalveld op. Het verhaal van de koeienvlaaien heb ik vaak van hem moeten horen. Waar nu de Karwei staat, tegenover de wipwatermolen, stond de turfschuur van mijn grootvader.”
Ansicht uit 1958 met de blik op het zuiden gericht. Het water is niet de Hollandse IJssel, maar de Doorslag. JSV voetbalt in 1958 elders (langs het Amsterdam-Rijnkanaal)
De IJsselsteinseweg is in 1929 nog niet bestraat. En het lelijke bedrijfspand achter de huizenrij staat er ook nog niet. Dat is vijf jaar later neergezet voor rijststijfselfabrikant Holland. Tegenwoordig biedt het gebouw onderdak aan Car Center Pars. Piet Daalhuizen vult Annemiek Pothuizen desgevraagd voor ons aan. “De ingang (van het JSV-complex) lag direct achter van de sigarenzaak van Jan van Doorn. Vanaf rechts zie je eerst de kroeg “d’ Oranjeboom” en dan de sigarenzaak. Vervolgens het rijtje huizen waarin ook Van der Vlist woonde. Eigenlijk direct achter die hele rij huizen lag het terrein van JSV.”
“Er lagen twee voetbalvelden: De zuidelijkste werd bespeeld door JSV-1. Daaromheen was ook een hek. Op het noordelijker terrein speelde de jeugd en de reserve-elftallen. Daar liepen in de week gewoon de koeien van Oostveen te grazen. Dan dus zaterdag eerst stront scheppen voordat er kon worden gevoetbald.” “Aan de oostzijde van het terrein stond het kleedgebouw met in het midden een klein buffet waar koffie, thee, limonade, chocolade etc. werd verkocht. Da’s ongeveer op de plek van – op de ansichtkaart- het laatste loodsje achter het laatste huis vóór de stijfselfabriek.”
Het buffet zal begin 1929 weinig klanten hebben gehad. Een barre winter zorgt naast vele voetballoze weekenden voor een Elfstedentocht op 12 februari. Het ijs is zelfs dik genoeg om per auto tussen Enkhuizen en Urk de Zuiderzee over te steken. Voor een goede versnapering kan de Jutphanees anno 1929 ook bij Flip van Leeuwen (de opa van Pierre Veldhuizen) en C. Kooijmans terecht. Hun werk wordt in april bekroond tijdens een internationale bakkerswedstrijd. Kooijmans moet het hebben van zijn heerlijke beschuit.
Burgemeester Hamers deelt in 1929 niet alleen bloemen uit aan DOS, hij bemiddelt eind februari ook tussen de gebroeders Van Bentum en hun stakende werknemers. Zij hervatten de arbeid op de constructiewerkplaats na een loonsverhoging van twee cent per uur en doorbetaling op feestdagen. Het extra inkomen kan in de knip worden gehouden omdat wethouder Kool geen kermis in Jutphaas toestaat.
Het huidige voetpad aan de oostzijde van de
Doorslag, ten zuiden van de Geinbrug, wordt vervangen door een fiets-/voetpad. Deze mededeling stond op De Digitale Stad Nieuwegein. Op de gemeentelijke website is donderdag 27 oktober 2011 bovendien het volgende nieuwsbericht verschenen: “Vanwege het aanleggen van een nieuw fiets-/voetpad in Park Oudegein is het noodzakelijk om de oude af te sluiten voor al het verkeer. De werkzaamheden vinden plaats vanaf 31 oktober tot eind december.” Dit pad ligt in het gebied waar eeuwen terug de stad Gein lag en op de ruïnes waarvan in 1423 een nonnenklooster werd gesticht. De geschiedenis van het klooster is nauwkeurig opgetekend door de in 1565 benoemde rector Jan Aerts Buysling. Het is de enige bekende bron uit de zestiende eeuw die melding maakt van de wetenswaardigheden van het klooster.
In de negentiende eeuw maken meerdere onderzoekers van de Kroniek van Buysling gebruik en ook voor dit artikel is de tekst ervan geraadpleegd.
De stad Gein
Het dorp Gein waar in 1217 een eerste kerk is gebouwd,
kreeg op 30 januari 1295 van de Utrechtse bisschop Jan van Zierik stadsrechten. Tijdens diverse oorlogen werd het stadje, waarvan vermoed wordt dat het zo’n 600 inwoners telde, meerdere keren verwoest (1333 en 1348). In de herfst van 1402 tenslotte is het Jan van Arkel die met een bende krijgslieden vanuit zijn woonplaats Hagestein naar Vreeswijk en Gein komt. Beide plaatsen worden geplunderd en platgebrand. De Geer schrijft daarover: “Zoo verminderden en verarmden de kerpselgenooten van dat Gein allengs in die mate, dat bij het overlijden van hun toenmaligen pastoor, zij niet meer in staat waren om uit eigen middelen eenen priester te onderhouden.”
In de in 1402 verwoeste stad bleven, zoals valt af te leiden uit de loop van de geschiedenis, de kerk en de pastorie behouden. Buysling noemt dat ook in zijn kroniek: “…. ende als de plaetse int Geyn, haer wel aenstont, om des kerks wil, daer noch een pastory was….”
In 1843 is van de stad Gein weinig meer over. Van der Monde schrijft daar over: “Het staat als eene ambachtsheerlijkheid bekend, welke, eene oppervlakte van nagenoeg 130 bunders beslaande, op het einde der voorgaande eeuw ook met Jutphaas werd vereenigd. Vier hofsteden, eene herberg en nog enkele dagloonerswoningen zijn over deze kleine landstreek verspreid, en worden door ongeveer 100 zielen bewoond.”
Sint Elisabethsvloed en het dorp Almkerk
Uit de Kroniek van Buysling tekent L.G. Visscher op: “Ende nae dat alle dijcken bynaer in Hollant, Zeelant, Vrieslant, deur waren gebroocken, op S. Elizabethsnacht (18 november 1421-Red) ende den dijck tusschen S. Geertruydenbergh ende Dordrecht, soo grotelicx was gescheurt ende gebroocken, datter 72 dorpen bleuen verdronken, onder welcke Almkerck meede gerekent wert, alwaer 3 susteren een convent plachten te hebben.”
De Sint-Elisabethsvloed van 1421 was een watersnood die plaatsvond op of rond 19 november 1421, de naamdag van Sint-Elisabeth. Vermoedelijk werd de ramp veroorzaakt door een bijzonder zware noordwesterstorm, gevolgd door een zeer hoge stormvloed. Van springvloed zoals bij de Watersnood van 1953 was toen geen sprake, maar het natte weer was er de oorzaak van dat het oppervlaktewater, afkomstig van de rivieren, nog zeer hoog stond.
De dijkdoorbraken en overstromingen richtten in Zeeland en Holland grote verwoestingen aan. Het aantal slachtoffers is in de loop van de tijd door mythevorming opgelopen tot 100.000. Latere schattingen geven aan dat mogelijk slechts ongeveer 2.000 mensen de dood vonden.
Een hardnekkig misverstand wil dat de Biesbosch door deze stormvloed in één nacht is ontstaan. Bij deze vloed braken weliswaar de dijken van de toenmalige Groote of Hollandsche Waard, maar het duurde nog enige tientallen jaren voor het gehele gebied onder water stond en de Biesbosch met zijn kreken en riet vormde.
Gevlucht voor het water
Vanuit het nonnenklooster van “de derde leefregel
van St. Franciscus” in Almkerk vluchtten drie nonnen naar Utrecht. Het waren Dien, Jan Aerts dochter van Baeck en Lijsbet van Giffen. Daar kregen ze onderdak bij een welgestelde weduwe, Aertgen Buys. Ook in Utrecht woonde toen “eene rijke maagd”, Beatrix van Dordrecht, die contacten had onderhouden met de kloostergemeenschap in Almkerk. Het vijftal hoopte dat het dorp Almkerk weer droog zou komen te vallen door een spoedig herstel van de dijken. Daarin werden ze echter teleurgesteld. De Geer schrijft in zijn boek op bladzijde 271, dat Almkerk pas in 1461 na het herstel van de dijken weer droogviel.
Op zoek naar een nieuw klooster
In 1423 vernam Beatrix van Dordrecht dat bij IJsselstein door Heer Arnold van Egmond buiten de stadspoort een klooster was gebouwd en daar zou voldoende ruimte zijn voor de bouw van nog een klooster voor de nonnen uit Almkerk.
Beatrix van Dordrecht zou de bouw van een nieuw klooster betalen en het vijftal toog op weg naar IJsselstein. Ze kwamen echter niet verder dan Gein, want te midden van de ruïnes van het stadje troffen ze nog wel de parochiekerk aan en daarnaast de pastorie met een pastoor. De keuze voor Gein was snel gemaakt en Beatrix van Dordrecht kocht een groot pand (“70 voeten lanck” = ca. 22 meter) aan de Geindijk. Dat werd afgebroken en nabij het kerkgebouw weer opgebouwd en geschikt gemaakt voor het kloosterleven door het plaatsen van schotten in de grote ruimten om zo cellen te realiseren. De drie nonnen uit Almkerk betrokken het nieuwe klooster en ook Beatrix van Dordrecht trad tot de Franciscaner orde toe en voegde zich bij hen.
De beginperiode in het klooster in Gein verliep voor de nonnen allerminst rustig. Er was onrust over de bezetting van de Utrechtse bisschopszetel en bendes van de strijdende partijen trokken rond om goedschiks of kwaadschiks steun voor hun heer te verwerven. Zweder van Kuilenburg moest het echter afleggen tegen Rudolf van Diepholt die door paus Eugenius in 1427 werd benoemd. Daarna werd het rustig in deze omgeving en ook de nonnen konden in vrede hun leven leiden. Inmiddels was de kloostergemeenschap uitgegroeid tot 12 nonnen.
Het kloostercomplex in Gein
Van het klooster Nazareth zijn geen afbeeldingen
bekend. De Geer waagt zich in zijn boek aan een beschrijving van het complex op basis van de aantekeningen van Buysling. Op basis van dezelfde bron is een tekening gemaakt die de situatie van 1574 poogt weer te geven. De tekenaar is onbekend.
De plaats waar het klooster in Gein heeft gestaan ligt in het huidige Nieuwegein in het beschermde vogelbroedgebied ten noorden van Geinoord ter hoogte van de voetgangersbrug over de Doorslag. De voetgangersbrug ligt op de plek van de oude Geinbrug (ophaalbrug) die in 1978 is gesloopt.
Het eerste kloostergebouw is gebouwd in 1423. Het was, zoals hiervoor beschreven, ongeveer 22 meter lang, gebouwd nabij kerk en pastorie van Gein. Rector Herman Voscuil, die in 1433 de overleden rector Gerrit van Zael opvolgde, werd aanvankelijk gehuisvest in de woning van Gerrit Claess. Deze “Ezel van het Gein” bouwde voor de rector in 1436 “een huys, 75 voeten lanck, 2 solderen hoge” (circa 25 lang; met twee bovenverdiepingen) . Het was een stenen gebouw dat gestaan zal hebben nabij de Geinbrug. In 1438, toen de laatste pastoor van Gein, Peter van de Ven, was gestorven en de inwoners van het stadje geen geld hadden om nog een eigen pastoor te betalen, werden de kerk en de pastorie van Gein toegevoegd aan het kloostercomplex. Twee jaar later gaf ook de paus toestemming voor deze uitbreiding.
De rijkdom van het klooster en de toename van het aantal nonnen, maar ook de vele andere activiteiten (tapijtwerk, weven, borduren, boeken schrijven) maakten het nodig en mogelijk het complex uit te breiden. In 1441 vonden diverse uitbreidingen en verfraaiingen plaats. Vervolgens werd het klooster in 1460 voorzien van een ringmuur en een kloosterpoort. Bovendien werd een kruisgang voltooid die kerk en klooster met elkaar verbonden, zodat de nonnen bij slecht weer toch konden wandelen.
Het klooster was door landbouw, veeteelt, brouwen van bier e.d. grotendeels zelfvoorzienend. Bij de genoemde gebouwen moeten we dus nog een boerderij, een koestal, een turfschuur, een bakhuis, een brouwerij en een washuisje toevoegen. Dan is het kloostercomplex anno 1477 vrijwel compleet beschreven!
We komen dan nog een mededeling tegen over de bouwvalligheid van de kloosterkerk omstreeks 1480. Op kosten van het klooster vond een grondige restauratie plaats.
De Ezel van het Gein
Omstreeks 1427 was sprake van een onrustige tijd; de stad Utrecht werd belegerd door de hertogen van Gelre en Bourgondië en de woeste horden trokken plunderend rond. In die tijd woonde aan de Koppel een zekere Gerrit Claess met zijn vrouw Aeltgen.
De Geer schrijft: Ïntusschen was er toch al veel tot voortgang van het klooster verrigt door zekeren huisman Gerrit Claess, die in het jaar 1427 al zijn vee en goederen op de Koppel had verkocht en met Aeltgen, zijn dierbare wederhelft, naar het Gein was getrokken, waar hij een sterk steenen huis nabij het klooster aankocht en sedert onder de bescherming van dat convent bleef wonen. De goede ziel gaf al wat hij bezat aan de zusteren ten beste, bearbeidde hare landen en behartige zoozeer hare zaken, dat hij, gedurig belast en beladen op den weg tusschen het Gein en Utrecht aan het reizen (vooral ten behoeve marktbezoek voor koop en verkoop van de producten van landbouw en veeteelt – Red.) bij de spottende schippers onder den bijnaam van
Het kloosterleven
Binnen het eigenlijke kloostergebouw waren voor de nonnen cellen. Daarin konden de zusters zich terugtrekken om de dagelijkse gebeden te doen, maar ook om handwerken te verrichten of geestelijke boeken te lezen. Die kamertjes waren oorspronkelijk heel sober van opzet en inrichting en met schotten van elkaar gescheiden. De inrichting bestond uit een kistje om op te zitten en om wat kleding in te bewaren. Verder natuurlijk een kruisbeeld, een wijwaterbakje en een gebedenboek. Bij de toenemende welvaart hoorde ook wat meer luxe, zoals een eiken kastje voor het bewaren van linnen, een bidstoeltje en afbeeldingen of beeldjes aan de muur.
In de nabijheid van de cellen van de nonnen had de priorin haar zitkamer, die ongeveer dezelfde inrichting had als de cellen van de zusters maar toch met wat kostbaardere materialen en meubelen.
De Geer beschrijft dat op de begane grond van het klooster de pronkkamer was. Daarin stoelen met zitkussens van rood tapijtwerk, groot en klein en met vaak in het tapijtwerk geborduurde wapens van de adellijke nonnen. In de pronkkamer stond een grote eiken tafel met daarop vijf geschilderde wapens. Op een vierkante schraag (onderbouw) stond een glazen kastje met daarin een Mariabeeld en enkele andere heiligenbeelden: “…en eene Lieve Vrouw met het kindeken, voor den schoorsteen, en dan een Christus met de doornenkroon.”
Verder waren er een refter (eetzaal), een spinkamer met weefgetouw en de kapittelkamer. De kapittelkamer was om ongehoorzame zustertjes te kapittelen na de zondagse kerkdienst! Tenslotte waren er nog de keuken, een spreekkamer met roostertjes in een spreekvenster waardoor de nonnen met hun familie konden spreken, en een ziekenzaal.
De Geer beschrijft verder de rijke bemeubeling en de kostbare beelden en kandelaren en kelken van de kloosterkerk. Ook van deze kerk heeft Buysling een volledige inventarislijst nagelaten in zijn kroniek.
In het klooster vormden de oudste nonnen tezamen met de priorin en met de rector of biechtvader een soort ‘raadsvergadering’. Daar werden belangrijke zaken betreffende het klooster besproken. Één zuster had de titel van procuraatster (= administratrice). Daarbij behoorden de taken van toezicht over de keuken, de kelder waar bier en wijn werd bewaard en de provisiekamer (voorraden levensmiddelen). Er was een bewaarster aangesteld voor de bibliotheek, waarin studieboeken en geestelijke boeken werden bewaard die niet in de kerk werden gebruikt. Andere zusters waren belast met het schoonhouden van kerk en klooster en met portiersdiensten, zodat niemand ongezien het kloostercomplex zou kunnen betreden.
Andere bezigheden van de nonnen bestonden uit het schrijven van boeken, het inkleuren van tekeningen in boeken, stikken en/of borduren van zitkussens, kerk- en altaarversierselen en het vervaardigen van kazuifels en andere geestelijke gewaden.
Omstreeks het middaguur nodigde de kloosterklok voor de maaltijd. De nonnen schaarden zich dan zwijgend op lange banken zonder leuningen aan zware eiken tafels op schragen. Op het menu stonden etenswaren als linzen, bonen of hutspot met daarbij gezouten vis. Daarvan had men een ruime keus; gezouten haring of aal, bokking, stokvis (gedroogde kabeljauw), bot, schol, schelvis en soms zalm. Op bijzondere feest- en gedenkdagen kwam er vlees en tarwebrood op tafel dat het klooster dan vaak werd geschonken door weldoeners. Bier was de dagelijkse drank, maar op de hiervoor bedoelde bijzondere dagen kwam er rijnwijn op tafel.
Het avondmaal bestond vooral uit bier- of broodpap.
Zodra het donker werd, ging iedereen naar bed om, zodra het eerste zonlicht zich aandiende weer op te staan.
Kloosterorde
Oorspronkelijk behoorden de nonnen in Gein tot de kloosterorde van “de derde leefregel van St. Franciscus.” In 1433 kwam Herman Voscuyl als rector naar het klooster. Hij was omstreeks 1403 geboren uit rijke ouders in Utrecht. Hij studeerde aan de Sorbonne in Parijs en behaalde daar een doctorstitel in de theologie. Na zijn studie nam hij zijn intrek in het Augustijnerklooster in Zwolle, dat hij in 1833 verliet om zich in Gein te vestigen.
Hem was bijgeloof niet vreemd en toen in 1441 een geweldig onweer losbarstte waarbij ook nog hagelstenen vielen “zoo groot als noten muscaat”, zag de rector daarin een teken. Er was veel schade aan het koren en aan de boomgaarden. En van de kerk ging een glas-in-lood-raam stuk met daarin een afbeelding van St. Augustinus. Bij het herstel liet hij een afbeelding van St. Franciscus in het raam plaatsen. St. Augustinus zou vertoornd zijn geweest dat Herman Voscuyl 8 jaar eerder (1433) zijn Augustijnenklooster in Zwolle had verlaten.
Om de boze heilige tegemoet te komen, verwisselden op aandringen van de rector de nonnen het Franciscaner habijt van de derde orde voor de zwarte mantel, de witte rok en het witte scapulier van de reguliere kanonikessen van St. Augustijn en zij volgden vanaf toen de veel strengere leefregels van de Augustinessen.
Rijkdommen van het klooster
Het klooster in Gein bouwde aanzienlijke rijkdommen op door van nieuw intredende adellijke nonnen een ‘bruidsschat’ te verlangen bij hun intrede. Bovendien werden in het klooster vaak buitenechtelijke dochters van de adel en rijke boeren opgenomen en ook daarvoor werd geld of goederen gevraagd. Niet alleen de bloedverwanten van de rijke rector Herman Voscuyl, maar ook de kinderen van Gerrit en Aeltgen Claess, de Ezel van het Gein, raakten er van doordrongen dat zij later een flinke erfenis zouden mislopen doordat beiden alles zouden nalaten aan het klooster. In 1436 sloegen de potentiële erven de handen ineen en deden hun beklag bij de Utrechtse bisschop Zweder van Culemborg. Zij verzochten de bisschop “dat deze bij klokgeluide zoude doen verbieden, dat er aan geene kloosters meer erfelijke renten mogten gemaakt worden, en geen geestelijke vereenigingen van de derde orde wereldlijke personen onder hare bescherming zouden nemen.” Rector Voscuyl en Gerrit Claess kregen informatie over de klachten die tegen hen waren ingebracht. Daarop verkochten zij hun waardepapieren en schaften van de opbrengsten huizen en landerijen aan. Daarvan werd bepaald dat die en de opbrengsten ervan zouden toevallen aan het klooster. Zo bezat het klooster in Gein in 1438 al meer dan 250 morgen land, zo’n 240 hectare.
En het bleef doorgaan met het vermeerderen van de bezittingen. De Kroniek van Buysling vermeldt:
• 1440: Van Weyn van Oostrum het “lant genaemt het Smeer”;
• 1441: Vijf morgen lants van Dirck van Zuylen;
• 1441: Erfenis Catharina Hugen van Walcheren 200 nobelen (oud Engels muntstuk);
• 1441: Elisabeth Schellings 1.000 guldens;
• 1441: Van J. Alijt van Rijswijck stukken land met namen als Vlayck met Roestlant, Goutcamp en Proutscamp;
• 1444: Bij het intreden van Janneke van Loenersloot in het klooster: 200 loot (circa 2 kg.) fijn zilver;
• 1445: Schenking van 3 morgen land door Berentgen Huberts;
• 1448: Jonkvrouwe Willam, Hendricks dochter van Cleve schenking 14 morgen land bij Meerkerk;
• 1449: Zuster Willam van Cleve, schenking, 6 morgen land bij Lopik;
• 1458: Vijf morgen land aan de Hogewaard (IJsselstein);
• 1459: Van Mechtelt van Cleeff wordt acht morgen land geerfd;
• 1461: Drie nieuw intredende zusters, dochters van Harman van Dorschen, schenken 450 guldens.
• 1461: De hofstede De Blaasbalg wordt aan het bezit toegevoegd;
• 1477: Uit de erfenis van pastoor Hendrick Direksen worden 240 rijksdaalders ontvangen;
• 1495: Geschonken worden kazuifels, een gouden kelk en 200 guldens;
• 1500: De weduwe Tacxs van Basin treedt in het klooster en schenkt 750 guldens;
• 1501: Het klooster verkrijgt nabij de Geinbrug een stenen woning van Jan Anth. Wolfarts.
Aan het begin van de zestiende eeuw is het klooster Nazareth in Gein een van de rijkste kloosters van het Nedersticht! Schenkingen aan het klooster komen in de zestiende eeuw nauwelijks meer voor; ze worden althans niet genoemd in de Kroniek van Buysling of in een van de andere genoemde bronnen.
Misstanden
Rector Herman Voscuyl, die, zoals hiervoor al beschreven, in 1433 als rector naar het klooster kwam, wordt wel de “tweede stichter” van het klooster genoemd. Hij bracht het klooster tot grote bloei en spande zich zeer in om ook de nodige financiën bijeen te brengen. Buysling schrijft in zijn kroniek: “Deze quam tot Geyn buyten wil sijnder vrunden, anno 1433, rijck van patrimonie ende tot Parijs gepromoveert, wesende 30 jaeren oudt, dede het convent veel goets, sulcx dat hy wel een anderde fondateur mag gehouden worden.” De Geer maakt al direct de aantekening bij deze passage (pag. 274) dat de “hoogeschool te Parijs intusschen ook ten zijnen tijde geen al te beste zeden onder de vele kweekelingen uit Frankrijk, Picardië, Normandië, Engeland, Duitschland, België en ons vaderland schijnen geheerscht te hebben.” Hij wist al snel te ‘regelen’ dat een speciale stenen woning voor hem werd gebouwd door Gerrit Claess.
In het Kerspel Jutfaas schrijft Rientjes (pag. 159) dat de onvoorzichtigheid en onhandigheid van pater Voscuyl het klooster meerdere keren in grote problemen zou brengen.
Petronella Schade
In 1439 was daarvan een voorbeeld toen de pestziekte in en rond Utrecht honderden slachtoffers eiste. Vanuit Utrecht vluchtte de weduwe Petronella Schade met twee kinderen naar Gein toen zij door de pest haar tweede man verloren had. In het gesloten klooster mochten echter geen ‘wereldlijke’ personen worden opgenomen. Maar de pater zocht een oplossing: Zoon Jan van de weduwe werd in de afdeling geplaatst waar kinderen onderwijs volgden en dochter Willemken werd in het klooster opgenomen als novice (toekomstige kloosterlinge in een proeftijd).
Petronella zelf was klein van stuk en de pater plaatste haar tussen de vele andere meisjes in het klooster: “Zij werd zeer vriendelijk bejegend door vader Herman Vocsuyl, die, misschien wel bekoord door haar rijkdom, ze zeer aanhaalde en
Maar toen pater Voscuyl ziek werd, sloop Petronella het klooster uit en vestigde zich bij Jan van Buren, waarmee ze in het geheim in het huwelijk trad.
Toen de zieke pater Petronella miste toog hij naar Utrecht, waar hij haar in het huis van Jan van Buren “curieus gecleet” aantrof. Hij vermaande haar zich te kleden en terug te keren naar het klooster en aan dat bevel gaf ze gevolg.
Jan van Buren liet dat er niet bij zitten en meldde zich aan de kloosterpoort om zijn vrouw mee te kunnen nemen naar de echtelijke woning. De pater kocht met een flinke som geld de eisen van Jan van Buren af en Petronella bleef in het klooster. Toen Jan van Buren het geld had opgemaakt, verscheen hij echter herhaalde keren opnieuw voor de kloosteringang. Na het overlijden van Petronella in 1445 ging de strijd om de erfenis van Petronella door. Het gerecht te Utrecht deed uitspraak in de kwestie en verbood het klooster om de erfenis van Petronella te aanvaarden. Die uitspraak werd niet zonder slag of sloot geaccepteerd, waarop Jan van Buren met een krijgshaftige bende voor de poort van het klooster verscheen om zijn erfdeel op te eisen, het klooster te verwoesten en de pater gevangen te zetten.
De pater zocht zijn heil bij de adel in de omgeving door om niet of tegen een kleine vergoeding kinderen van die adellijke heren in het klooster op te nemen. De onenigheid bleef voortduren tot 1454 toen een minnelijke schikking werd getroffen.Het klooster mocht vrijelijk alle eigendommen van Petronella verkopen en van de opbrengst kreeg Jan van Buren 120 pond fijn zilver.
Ook met de resterende gelden uit de erfenis ging pater Voscuyl niet handig om. De zusters, die tot dan slechts het goedkope scherbier (ook wel scharrebier genoemd: bier van niet al te beste kwaliteit; Red.)dronken en roggebrood te eten kregen, met soms een klein stukje vlees, dronken van toen af degelijk bier en aten tarwebrood en hutspot met spek en ander vlees. Dit kon allemaal, hoewel het klooster toen meer dan 80 nonnen telde!
Meer problemen
Evenals Petronella Schade probeerde men voor andere vrouwen een plaats in het klooster veilig te stellen. De adel kwam veelvuldig langs met een of meerdere dochters, maar de pater weigerde de meisjes “omdat zij niet echt geboren waren.” Toen dat veelvuldig gebeurde raakte de pater wat van zijn stuk en riep hij een van de verzoekers toe dat hij “vroeger ook een onechte dochter van de Genadigen Heere van Diepholt de toegang had geweigerd.” Diepholt was de bisschop van Utrecht!
Het hele verhaal kwam de bisschop ter ore, die door zijn vicarus Gerrit van Randen en de abt van St. Paulus, Willem van Heukelum, een onderzoek liet instellen. Er bleef pater Voscuyl toen niets anders over dan het klooster te ontvluchten.
De laatste decennia
Onder priorin Elisabeth van Eck van Wijnesteijn raakte het leven in het klooster geheel ontwricht. Jonkheer Hendrik van Brederode kwam toen regelmatig met andere edellieden, met de coadjutor (hulpbisschop) van Luik en met zijn broer naar het Geinse klooster: “En hij bleef daar somtijds den geheelen nacht, en de priorin had groote familiariteit met hem. Wat hij begeerde, willigde zij in; en als hij somtijds gezelschap verlangde, dat eenige zustertjes hem zouden gezelschap houden, ja, heel laat in den avond, dan consenteerde de mater het niet alleen, maar dwong daartoe zelfs de onwillige nonnekens.” Nadien wordt over het kloosterleven weinig goeds vermeld: “pompeus en men hield vele gasterijen met hooge heeren.”
Merkwaardige gebeurtenissen
Uit de in de bronnen genoemde geschriften heb ik een drietal merkwaardige gebeurtenissen opgetekend.
Toverij
In het midden van de 16de eeuw kreeg het klooster eens bezoek van “oude wijven, die landlopers en heidenen” vergezelden. Zij konden toveren! Onder een schoorsteen werd een laken uitgespreid met daarop enige rijkdommen van het klooster, zoals goud, wierook en andere kostbaarheden. De wijven begonnen wat te prevelen, waarna een heftig gedruis opstak, waarop een van de wijven riep: “Ick verblaes het!” En meteen waren laken, geld, goud, kandelaars en kostbaarheden verdwenen, evenals trouwens de wijven.
Geen slachtoffers
In 1439 stierven in en rond Utrecht ruim 600 mensen aan de pest. Ook in het klooster in Gein werden vele nonnen ziek: Zij werden getroffen door herhaalde toevallen en benauwdheden. Soms vielen negen of tien nonnen tegelijk neer en kregen zulke schokkende toevallen, dat men bang was dat ze stikten. Medische hulp mocht niet baten, maar toch stierf in het klooster geen enkele non door de pest!
Relieken
Omstreeks 1427 is aan twee Rome-reizigers door een kardinaal gevraagd om enkele relieken (= overblijfselen van heiligen; Red.) mee te nemen voor de kerk van Gein. De reizigers brachten de twee relieken niet naar Gein, maar bewaarden die in het eigen huis. Zij kregen echter te maken met geweldige wroeging en zochten hun toevlucht bij Abraham Dole, de stichter van het Utrechtse Ursulinnen klooster. Die gaf hen opdracht om de relieken, twee tanden van Johannes de Doper en een lid van een vinger van St. Christoffel, naar de kerk in Gein te brengen. Toenmalig pastoor Jan Heliner heeft de relieken nooit gekregen en hij vergat de namen van de twee reizigers te noteren!
Einde van het klooster in Gein
Toppunt van het verval van zeden in het klooster is wel geweest de moord op priorin Geertruid van Nes in 1533. Zij werd omgebracht door zuster Anna Reiers, die daarna tot priorin werd gekozen. Zij stierf enkele jaren later in de gevangenis in Utrecht. Swaertgen van Buchel werd in 1568 priorin en zij herstelde orde en tucht en stelde de oude leefregels van het klooster weer in gebruik.
Intussen echter was de onrust in het land toegenomen door de opstand tegen de Spanjaarden en bovendien deden de regels van de hervorming hun intrede. De inmiddels tot enkele tientallen nonnen uitgedunde kloostergemeenschap verliet het kloostercomplex in Gein in 1572 en nam haar intrek in een klooster aan de Nieuwegracht in Utrecht. “De geuzerij had stoutmoedig het hoofd opgeheven, en was het verblijf ten platten lande ook door de opkomst van den Spaanschen krijg voor de nonnekens van Nazareth minder wenschelijk geworden.” zo schrijft De Geer in zijn boek op pagina 295. Andere bronnen melden, dat paus Pius IV al in 1565 opdracht heeft gegeven om het klooster in Gein te sluiten vanwege de vele misstanden die er heersten.
Het kloostercomplex raakt in verval en mensen uit de omgeving komen geregeld ter plaatse om bouwstenen en andere materialen te halen. Anno 2011 liggen de ruïnes van de stad Gein en van het klooster verborgen in het deel van het park Oudegein waar het vogelbroedbosje ligt.
Door Piet Daalhuizen van de Historische Kring Nieuwegein.
In 1971 moesten de plaatselijke Brandweerkorpsen door de samenvoeging van de twee gemeentes gaan samenwerken, wat uiteraard de nodige moeite heeft gekost. De kazerne van de Brandweer Vreeswijk (nu Nieuwegein-Zuid) zat eerst op het Raadhuisplein en daarna verhuisde ze naar De Hendri Dunantlaan (waar ze overigens nog steeds zitten). Jutphaas had zijn kazerne zitten op de Schoolstraat, maar na de samenvoeging van de beide korpsen kwam het hoofdbureau op de Nevelgaarde te zitten Het korps bestaat momenteel totaal uit 60 vrijwilligers verdeeld over de twee posten en over een beroepskern van ongeveer 25 medewerkers welke hun kantoor hebben op het hoofdbureau van de brandweer (post Noord).
De brandweer op Het Sluisje
De gemeenteraad van Jutphaas was in 1927 niet bereid (of in staat) om 59,54 Euro!!
voor de restauratie van het brandspuithuis No.1 uit te trekken met als gevolg dat het gebouwtje werd gesloopt. In 1997 is de brandbel, die in 1769 op de hoek van Het Sluisje en de Dorpsstraat (nu Herenstraat) was opgehangen om de brandweer te alarmeren, in bezit gekomen van de Historische Kring Nieuwegein. Het Sluisje behoort tot het oudste deel van het vroegere Jutphaas. Hoe oud Jutphaas was valt niet te zeggen maar wel weten we dat het gebied rond Nedereind omstreeks de 12e eeuw goed werd bewoond toen het werd ontgonnen. en ook Het Sluisje dateert uit die tijd want deze regelde de waterhuishouding van de polder De Lange Vliet.
Vanaf de 17e eeuw verplaatst de kern van het dorp Jutphaas zich gestaag vanaf het Kerkveld naar de Herenstraat en de Dorpsstraat, waar allerhande nijverheid ontstaat. Nabij het sluiskolkje staat tot 1928 een van de lokaliteiten voor de Jutphase brandweer. De sluiskolk wordt in 1956 afgebroken en vervangen door een duiker. Alhoewel we er tegenwoordig waarschijnlijk iets anders over zouden denken, werd de verdwijning van de sluis en de gedeeltelijke demping van de 'Nedereindse Wetering' toen gezien als een belangrijke verbetering en verfraaiing van het dorp. In de pers werd gesproken over 'de Jutphase Boulevard'.
In de kronieken lezen we dat de gerechten, het bestuurlijk gebied van het Overeind en Nedereind van Jutphaas, tot 1769 geen enkele gezamenlijke activiteit hebben georganiseerd voor de brandbestrijding. Tussen 1760 en 1770 komen in het dorp enkele grote branden voor, waarvan in juli 1766 de brand in de bierbrouwerij 'De Zevenstar' wel het grootst was. Deze bierbrouwerij werd in oktober 1736 voor 2.995 Euro aangekocht door Cornelis van Wijngaerden.
Na al die branden gaan de dorpsbewoners bij de ambachtsheer aandringen op de aanschaf van blusmiddelen en vindt deze goed mits de bewoners de kosten zouden dragen. Na het inzamelen van het benodigde bedrag ad 414,00 Euro wordt tot aankoop en de bouw overgegaan van een brandspuithuisje op Het Sluisje. De schout, die commandant van de brandweer is, laat zich met zijn zoon overal heenrijden om tot een goed plan te komen. Voor die tijd gaat er een kapitaal op aan drank en maaltijden en zo ontstond het eerste schandaal van de Jutphase brandweer. De zuinigheid van de bestuurders heeft tot gevolg, dat het spuitje uit 1769 dienst doet tot omstreeks 1840. In 1807 is in het Nedereind al een tweede brandspuit geplaatst en de Jutphase wijk Hoograven krijgt in 1867 een eigen spuit.
Wanneer tijdens de Pinksterdagen van 1914 de Olie- en Lijnkoekenfabriek Cockuyt & Co. - gevestigd op de plaats van de huidige Henkelbedrijven - drie dagen brandt, moeten de brandweerkorpsen van Vreeswijk, IJsselstein en Utrecht de schamel uitgeruste brandweer van Jutphaas te hulp komen.
De krant toendertijd schreef kleinerend over de 'Jutphaassche handspuitjes'. Na een boerderijbrand in 1920 schreef dezelfde krant spottend: ' De gemeente Jutphaas bezit drie brandspuiten, die samen, o lezer, schrik niet, 220 jaar oud zijn! Waarvan spuit No. 1 van het jaar 1870 is en juist de dakgoot kan bereiken van cafe De Zwaan. In 1923 wordt een eerste motorspuit aangekocht. In 1924 wordt de Vrijwillige Brandweervereniging opgericht en dan gaat ook Jutphaas met wat meer aandacht de brandbestrijding ter hand nemen. In 1938 wordt deze vervangen door twee nieuwe.
In 1928 wordt het brandspuithuisje op Het Sluisje gesloopt en de brandweer krijgt dan huisvesting achter het gemeentehuis van Jutphaas. De brandbel, nu in het bezit van De Historische Kring Nieuwegein, verdwijnt in 1934.
Rond 1637 was het in Vreeswijk verplicht om in je woning een zogenaamde `brandemmer` (emmer gevuld met water) te hebben.
In geval van brand moest je zo snel mogelijk de straat op gaan en zo hard mogelijk BRAND roepen. Een ieder die op dat moment in de omgeving was moest met zijn emmers gaan helpen en voor zijn huis een lantaarn met een brandende kaars neerzetten.
De grootste brand die vreeswijk ooit gekend heeft, was die in 1672waarbij een heel groot gedeelte van het dorp in vlammen op ging. De oorzaak waren oorlogshandelingen. De ontreddening heeft nog jaren in het dorp doorgewerkt...
In 1672 werd door Jan van der Heyden (1637-1712) de slangenbrandspuit uitgevonden, wat veel heeft bijgedragen voor de ontwikkeling van de brandweer. De komst van de Stoommachine, waardoor de motorspuit een feit werd en de
verbrandingsmotor waardoor men de spuiten, slangen en ladders op auto´s kon vervoeren heeft zeker bijgedragen aan de effectiviteit van de brandweer, voorheen stelde het eigenlijk niet veel meer voor dan met verenigde kracht emmertjes water naar de plaats van de brand te verplaatsen. De bediening van de spuit was in het begin echter zo zwaar dat bij elke brand een grote groep mannen aanwezig moest zijn. In eerste instantie kwam de daartoe aangewezen omvangrijke brandweerploeg (van ongeveer 200 man) maar in geval van nood moesten ook de overige dorpelingen hulp verlenen. Er bestonden dan ook strenge voorschriften ter voorkoming van brand.
In de winter veranderde het water in ijs. Hierdoor was blussen bijna niet mogelijk. Daarom werden er zogenoemde `Bijtenhakkers´ door het gerecht aangesteld. Zij moesten ervoor zorgdragen dat er voldoende wakken in het ijs waren zodat bij een evtuele brand er altijd voldoende bluswater voorradig was. Dit leverde de `Bijtenhakkers´ enkele stuivers per dag op. Ook werden er in 1712 zogenoemde `Rotten´ door het gerecht aangesteld. Dit waren groepjes mannen die s´nachts moesten waken. Een groepje `Rotten´ bestond uit zes of zeven man en aan het hoofd stond een korporaal. Elke nacht moesten er minimaal 6 man de wacht houden.
Rond 1900 was er nog geen vereniging voor de vrijwillige brandweer. Wel was er een verordening die regelde dat ieder mannelijke inwoner
tussen de 18 en 60 jaar verplicht was om persoonlijk zijn diensten bij brand e.d. te verlenen als hij hiertoe werd opgeroepen door de burgemeester en wethouders. Alleen medisch gezien werden er uitzonderingen gemaakt. De mannen konden vier keer per jaar worden opgeroepen om te komen oefenen met het blusmateriaal. De oproep hiervan werd zeven dagen van te voren publiekelijk bekend gemaakt.
De brandweer bestond in deze periode uit: 1 Opperbrandmeester, 2 Brandmeesters, 2 Assistent brandmeesters, 24 Opzichters, 8 Politiebeambten, 6 Pijpgasten, 120 Manschappen, 3 Reserve opzichters en 30 reserve manschappen.
Mede door een brand in 1929 op een grote boederij en de tijd dat het duurde voordat
alles goed op gang werd gebracht om te kunnen blussen werd er een Vereniging voor de ´Vrijwillige Brandweer Vreeswijk` opgericht. Vanaf 1930 was de vereniging een feit. De eerste officiële `commandant´ werd dhr J. Th. Suijkers. en `ondercommandant´ werd dhr. R. van Zutphen. De eerste `instructiebijeenkomst´ werd gehouden op 24 april 1930.
De feiten op een rijtje:
Adriaan de Wael van Vronesteyn werd omstreeks 1520 geboren op het huis Ter Lee nabij het Gelderse Kesteren. Hij was de zoon van Lubbert de Wael van Vronesteyn, schepen van Utrecht en schout van Leusden, en Maria van Raephorst. Hij trouwde op 17 november 1545 met Beatrix de Voocht van Rijnevelt. Uit het huwelijk werden 11 of 12 kinderen geboren, van wie er vier de volwassenheid bereikten. Adriaen werd op 25 augustus op het Utrechtse Vredenburg onthoofd.
De Stichtse edelman Adriaen de Wael kon op een buitenlandse stamboom bogen. Ze stamde af van sir Thomas Wale, wiens zoon Lubbert in het gevolg van de Eleonora, dochter van de Engelse koning Edward, bij gelegenheid van haar huwelijk met Reinoud van Gelre naar Nederland was gekomen. Nakomelingen van Lubbert bekleedden diverse malen het ambt van schout of burgemeester van de stad Utrecht. Zij bezaten onder meer het gerecht Nieuweweerd net buiten de stad. In 1412 kwam het huis Vronestein in de familie en ging de familie zich De Wael van Vronesteyn noemen.
Het kasteel Vronesteyn stamt misschien al uit de dertiende eeuw, maar de eerste vermelding van een huis aan de Jutphase Vronewech is van 1329. Dit kasteel werd tijdens de Stichtse burgeroorlog in 1482 door troepen uit Holland geplunderd en in brand gestoken.
De erkenning als ridderhofstad die inmiddels had plaatsgevonden gaf weliswaar politieke macht (een eigenaar van een ridderhofstad had zitting in de Utrechtse Staten), maar zegt niets over de bewoonbaarheid. Het verwoeste kasteel werd namelijk niet meer opgebouwd. De familie vestigde zich in de stad Utrecht, waar zij aan de Plompetrorengracht een huis bezat. De De Wael van Vronesteyns waren doorgedrongen tot de bestuurlijke bovenlaag: de vader van Adriaen werd in 1528 door hertog Karel van Gelre tot schout van Leusden benoemd. Ook bezat de familie op vele plaatsen landerijen en huizen in Noord-Holland en Gelderland. Het is op een van die huizen, het huis Ter Lee te Kesteren, dat Adriaen het levenslicht zag. Van zijn jeugd is weinig bekend. Zijn band met het Gelderse bleek in 1543, toen hij als jongeman aan de zijde van de mannen van Gelre tegen Habsburg en Karel V vocht. Toen hij twee jaar later in het huwelijk trad met Beatrix de Voocht van Rijnevelt, ontving hij van diezelfde Karel V een vergiffenisbrief, misschien een gebaar van vriendschap.
Aangezien zijn broer Willem het huis in Utrecht erfde, zag Adriaen zich gedwongen in Jutphaas te gaan wonen. Hij had als erfopvolger van zijn vader in 1538 de ridderhofstad (of eigenlijk de ruine) Vronesteyn in eigendom gekregen. Het huis was echter nog steeds onbewoonbaar en zou pas door een van zijn kleinzonen herbouwd worden. Adriaen ging waarschijnlijk wonen op een boerderij naast het omgrachte kasteelterrein. Zijn vader behield voorlopig het vruchtgebruik van Vronesteyn. Pas na de dood van Lubbert in 1546 trad Adriaen in zijn rechten. Het huwelijk van Adriaen met Beatrix ging niet helemaal van een leien dakje. Zijn keuze werd niet door zijn ouders goedgekeurd. Ondanks dat zette Adriaen tegen hun wens het huwelijk door. Een teken van koppigheid of koesterde hij diepe gevoelens voor zijn bruid? In ieder geval moesten zijn ouders zich bij het 'fait accompli' neerleggen.
Adriaen groeide op ten tijde van de opkomst van de Reformatie, maar lijkt een trouwe aanhanger van de kerk te zijn gebleven. Zijn zoon Lubbert nam dienst in het leger van Philips II, terwijl dochter Agatha non werd in het Utrechtse St. Servaasklooster. Tijdens een bezoek aan Brussel deed Adriaen in een dronken bui (zoals hij later als excuus zou aanvoeren) echter een daad, die zijn leven diepgaand zou beinvloeden. Hij ondertekende het Smeekschrift de Edelen.
Hierin richtte een groot aantal, vooral lagere edelen zich tot de Spaanse koning met het verzoek tot verzachting van de inquisitie tegen het opkomende protestantisme. Deze politieke daad paste in de verzoenende houding die in Utrecht jegens de ketters werd ingenomen, ondanks het feit dat de stad
voor het grootste deel nog katholiek was gebleven.
Adriaen gaf later zelf aan, ondertekend te hebben om uitwassen te voorkomen. Het was van zijn kant geen teken van anti-Spaanse gevoelens of steun aan zulke fanatieke ketterse uitwassen als de Beeldenstorm, de vernieling van de heiligenbeelden in de kerken. Tot dan toe had Adriaen een onopvallend leven geleid als edelman. Hij was als bezitter van ridderhofstad lid van de Staten, maar dat was geen drukke baan. In 1551 was hij medeoprichter van de Broederschap van Onze Lieve Vrouwe ter Nood in Jutphaas, maar ook dat was geen dagvulling. Die dagen vulde hij wel met de jacht, zijn grote passie.
Het mede door Adriaen 'by drank wesende' ondertekende Smeekschrift werd in 1566 door een groot gezelschap edelen onder aanvoering van Brederode aangeboden aan de landvoogdes Margaretha van Parma, die het doorzond naar Philips II. Margarethaís toezegging dat de protestanten minder hard zouden worden aangepakt bracht het reformatieproces in een stroomversnelling. De aanhangers van de Hervorming, tot dan nauwelijks in de Noordelijke gewesten vertegenwoordigt, begonnen zich te roeren.
Het waren vooral de Calvinisten, die, gerecruteerd onder ambachtslieden en het gewone volk, hun kans schoon zagen. Opgehitst door hagepredikers eisten eisten de gereformeerden een eigen bedeplaatst. De Utrechtse vroedschap was weinig doortastend en vroeg om uitstel. De onrust bleek niet lang in de hand te houden : in augustus 1566 raasde de orkaan van de Beeldenstorm door Utrecht en werden in diverse Utrechtse kerken de beelden vernield.
Dat lokte een felle tegenreactie uit van Philips II. Deze zond de hertog van Alva naar de opstandige gewesten om de orde te herstellen en de kettervorming strenger dan ooit aan te pakken. Alva liet honderden mensen arresteren, onder wie de onfortuinlijke Adriaen. In de nacht van 15 op 16 september 1567 werd hij in zijn Jupthase hofstede van zijn bed gelicht en opgesloten in kasteel Vredenburg. De aanklacht tegen hem omvatte 26 punten, waaronder de ernstigste was die van 'crimen laese maiestatis' (majesteitsschennis), waarmee met name werd bedoeld rebellie tegen de landsheer, een misdaad waarop de doodstraf stond.
Tientallen mensen stonden borg van Adriaens onschuld. Zo getuigde de Jutphase pastoor Gerrit Hermansz. Van Sijn, dat de familie De Wael van Vronesteyn altijd een steunpilaar was geweest van de katholieke kerk en dat Adriaen met zijn familie regelmatig de mis bezocht en ter biecht ging. Tijdens een dreigende Beeldenstorm in Jutphaas had Adriaen de pastoor op het hart gedrukt om zich niet te laten intimideren en de mis gewoon op te dragen. Adriaen had persoonlijk gegarandeerd dat hij zou ingrijpen om te voorkomen dat er ongeregeldheden zouden voorvallen.
Volgens een andere aanklacht zou Adriaen een protestantse hagepreek hebben bijgewoond. Volgens eigen zeggen, ondersteund door diverse getuigen, berustte die beschuldiging op een misverstand. Adriaen was met zijn knecht Evert Schram op weg geweest naar Utrecht, toen hij op een opstootje stuitte bij de
Tolsteegpoort. Daar bleek een hagepreek van Schele Gerrit gaande, maar Adriaen was bijna onmiddellijk doorgereden, zonder het verhaal aan te horen. Een andere hervormde kerkdienst, in Oudwijk, waar Adriaen aanwezig zou zijn geweest, bleek juist door hem te zijn verstoord. Hij was tijdens de jacht achter
een haas aangegaan en kwam zo in de buurt van de plek waar de kerkdienst werd gehouden. Een paar straatjongens moedigden hem aan de haas te doden:
'slaet doot, slaet doot.' De geschrokken predikant zak een bewapende Adriaen op zich af stormen en dacht dat deze het op hem gemunt had. De ketters waren alle kanten uitgestoven. Adriaen had het verhaal in geuren en kleuren daarna aan zijn kennissen verteld.
Diverse belangrijke kerkelijke prelaten, onder wie de prior van het Utrechtse karmelietenklooster, stonden eveneens garant voor Adriaens onveranderde gevoelens jegens het katholieke geloof. In de stad Utrecht was hij vele malen streng opgetreden tegen potentiÎle beeldenstormers, die hij uitmaakte voor schelmen en dieven. Een paar keer waren mensen hem gaan halen toen er onraad dreigde. Eenmaal was hij tijdens een scheerbeurt de barbierszaak uitgestormd om in te grijpen, had zijn hoed vertrapt en had geroepen dat hij eigenhandig de kerken zou beschermen, al kostte het hem zijn ëhals en calen copí. Daarbij had hij ook enkele Utrechtse vroedschappen beledigd. Vele Utrechters getuigden van Adriaens optreden ter bescherming van de heiligenbeelden en de geestelijken. Hij had de Jutphase beeldenstormers zelfs toegebeten dat hij op zolder het hout al had klaarliggen voor hun brandstapels. Ondanks al deze getuigenissen werd Adriaen vastgehouden. Had zijn driftige karakter hem vijanden bezorgd? Was hij te tactloos geweest? Of was hij toch niet zo zuiver op de graat als zijn vrienden hem afschilderden?
In de stad ging bijvoorbeeld de roddel rond dat hij op zijn hofstede een Brabantse prediker onderdak zou bieden. Een speciale 'troebelencommissie' verzamelden getuigenissen en stelden de aanklacht op, die vervolgens naar de Bloedraad in Brussel werden gezonden. Een paar weken later kwam het antwoord.
Adriaen de Wael van Vronestein werd, samen met 65 anderen, ter dood veroordeeld, terwijl al zijn bezittingen werden geconfisqueerd. Dat de volgens velen zo fanatieke bestrijder van de Beeldenstorm Adriaen niet werd vrijgesproken, is aanleiding geworden tot speculaties. Welke motieven hadden de aanklagers om juist hem als voorbeeld te stellen? Sommige onderzoekers beweren, dat het er vooral om ging de goederen van Adriaen te kunnen confisqueren. Dat klinkt echter weinig aannemelijk. Had hij de verkeerde mensen tegen de haren in gestreken?
Zijn vrouw Beatrix hoefde deze schande in ieder geval niet meer mee te maken. Zij was reeds in 1560 overleden.
Sinds die tijd had Adriaen een buitenechtelijke liaison met Aaltje Gerardsdr, bij wie hij verschillende bastaardkinderen had verwekt. In de cel , waar hij door twee hellebaardiers werd bewaakt, werd hij diverse malen door geestelijken bezocht, die hem in zijn laatste dagen bijstonden. Hij maakte een testament op, waarin hij voor Aaltje en haar kinderen zorgdroeg. Op de dag van de executie, die plaats vond op het Vredenburg, riep hij vanaf het schavot de menigte toe, dat hij stierf in het geloof van zijn ouders en voorouders.
Na zijn onthoofding mocht eerst na omkoping van de stadsschout het lijk van het schavot worden gehaald en in de buurkerk begraven worden die, ironisch genoeg, niet aan de handen van de Beeldenstormers was ontkomen. Hij werd bijgezet onder een grafzerk van een verre voorouder. De zerk belandde later via
vele omzwervingen uiteindelijk in de kerk van Jutphaas. Zijn zerk ligt momenteel op de oude begraafplaas aan het Kerkveld in Jutphaas, niet ver van waar het kasteeel Vronestein stond. Het zou tot 1579 duren voordat alle geconfisqueerde goederen werden teruggegeven aan de familie.
Terwijl de Franse Keizer Napoleon de veldtocht naar Rusland voorbereidde, bezocht hij in oktober 1811 de noordelijke Nederlanden. Vanuit Gorinchem, waar hij op zondagmorgen 6 oktober om 09.30 uur was vertrokken, maakte hij de tocht in een met acht paarden bespannen koets. In Leerdam en Vianen werd de keizer begroet door de burgemeesters van die plaatsen. Vreeswijkse schippers zetten de keizer met zijn omvangrijke gevolg binnen een uur over de Lek met behulp van vier pontjes en een royale boeier.
Aan de Vreeswijkse kant werd Napoleon verwelkomd door de prefect van Vreeswijk, graaf De Celles. Tezamen met hem gebruikte Napoleon aan boord van de boeier de maaltijd. In Vianen bleef de troepenmacht die Napoleon tot dan toe had begeleid achter en in Vreeswijk namen Franse kurassiers de taken over. Zij waren speciaal daarvoor een week eerder overgebracht naar deze omgeving en in die tijd ingekwartierd in Jutphaas en Vreeswijk. Kronieken uit die tijd melden, dat de kurassiers hadden geposteerd langs den Vaartschen Rijn van Jeremie af tot aan de Vaart.
Door wekenlange herfstregens was de zandweg langs de Vaartse Rijn veranderd in een modderbaan, waarop de paarden slechts met moeite stapvoets vooruit konden komen. Na Jutphaas gepasseerd te zijn, wenste de keizer en zijn gevolg zich voor hun intocht in Utrecht wat op te knappen en van enige rust te genieten. Daarvoor kozen zij het Jutphase buiten Huis de Geer uit.
Tot de aankomst van de keizer had de kwartiermeester van de keizerlijke intocht,
de Franse maarschalk Nicolas Charles Oudinot, het huis al gevorderd. Omstreeks 15.30 uur maakte Napoleon zijn intocht in Utrecht. Hij werd
bij Jeremie (ongeveer ter hoogte van de huidige Westerkade) verwelkomd door de Utrechtse stadsbestuurder Van Dielen, die hem de sleutels van de stad aanbood. 's-Avonds was de stad feestelijk verlicht en hield Napoleon een audientie.
Napoleon heeft zich op zijn tocht naar Utrecht hardgrondig geergerd aan de modderwegen. Al op 16 december 1811 vaardigde hij een decreet uit, dat de weg tussen Gorinchem en Utrecht werd bevorderd tot een 'Route de premiere Classe.' Zo'n besluit betekende dat de weg in record tempo van een klinkerbestrating moest worden voorzien. Al in 1814 was de weg tussen Vreeswijk en Utrecht met klinkers bestraat; een ware luxe voor die tijd. Overigens betaalde niet Napoleon de gevolgen van zijn besluit, maar de plaatselijke bevolking via een extra belasting!
In 1811 werd het Huis de Geer bewoond door jonkheer Barthold de Geer van Jutphaas en jonkvrouwe Jacoba Gijsbertha Beatrix van Vianen. De manier waarop de Franse Maarschalk Odinot hen ten behoeve van de Franse keizer Napoleon en keizerin Marie Louise voor enige tijd uit hun kasteel zetten, werd door de bewoners als bijzonder genant ervaren.
Wel vermeldt de Jan Lodewijk Willem Baron de Geer van Jutphaas later in zijn autobiografie, dat alles zeer ordentelijk verliep. Hij schrijft verder: 'Zelfs een huzaar die vergunning eenige druiven had geplukt, werd onmiddellijk daarvoor bestraft.'
Nadat de keizer en de keizerin zich hadden verfrist, trok het gezelschap naar Utrecht. Uiteindelijk telde het gevolg ruim achttien duizend mensen.
De stoet werd geopend door een detachement van de Gardes Gendarmerie en direct daar achter kwam een korps van de Gardes d'honneur. Dan volgde een koets, die door zes paarden werd voortgetrokken. Daarin zaten de Grootmaarschalk van het paleis van de keizer, de Groot-Kamerheer en de Opperstalmeester. Fier te paard volgden achter de koets de generaal Colbert met zijn staf. Om de grootheid van Napoleon te benadrukken volgden daarna compagnien Hollandse lanciers, Poolse lanciers en cavalarie van de Garde Jagers. En dan kwam de door acht paarden voortgetrokken koets met keizer Napoleon en keizerin Marie Louise.
Vervolgens kwam er weer een hele legermacht; Gardes Grenadiers te paard en Hollandse en Poolse cavalaristen. Dan volgden koetsen met bedienend personeel. Met zes paarden bespannen koetsen zorgden voor het vervoer een viertal hofdames, van de prins van Neufchatel (onderkoning van Zweden), prins Aldobrandini en de hertogen van Treviso en Conegliano. Zes compagnieÎn van het 23e Regiment Jagers-cavalaristen sloten dat deel van de stoet af. In twee koetsen kwamen dan de kamerheer en de kabinetssecretaris van de keizer. De generaal Casseloup met zijn staf galoppeerde daar weer achter. Vier volledige regimenten infanterie vormden de achterhoede en de stoet werd besloten door een detachement van de gendarmerie.
Met veel pracht en praal deed Napoleon later op de 6e oktober van 1811 zijn intrede in Utrecht. De vele duizenden militairen, die weken tevoren al in Jutphaas, Vreeswijk en IJsselstein waren ingekwartierd om de intocht van de keizer mogelijk te maken, lieten de bevolking uiteindelijk met een fikse kater achter. Nog valt uit overleveringen op te maken, dat het gedrag van de soldaten verre van correct is geweest. Plunderingen, diefstallen en aanrandingen en verkrachtingen zijn volgens die overleveringen aan de orde van de dag geweest. Een verhaal uit omstreeks 1950 vermeldt: 'Mijn overgrootvader stond in zijn huis aan de Weidstraat in IJsselstein met een bijl achter de voordeur om de soldaten van zijn dochter af te houden!'
Albert van Ieperen was een van de laatste parlevinkers van Vreeswijk. Veertig jaar lang verkocht hij zijn koopwaar, vooral manufacturen, aan de schippers, eerst bij de Koninginnensluis, later bij de Beatrixsluis. Zijn dochter Bep de Vries-Van Ieperen schetst aan Grieta Felix van Stadskrant Ons Nieuwegein een liefdevol portret van hem en een boeiend beeld van andere tijden.
Fotoalbums liggen opengeslagen op de tafel in de prachtige tuin van Bep de Vries-Van Ieperen. Vanaf de inmiddels vergeelde foto's kijkt een slanke, knappe en besnorde man de camera in.
Op de roeiboot is nog net een plekje voor hem vrij tussen de hoog opgestapelde goederen. Zijn koopwaar, want Albert van Ieperen was parlevinker, een van de laatsten in Vreeswijk (foto 1).
'Hij is daarmee begonnen toen hij 25 jaar was', aldus Bep de Vries, zijn jongste dochter, het voorlaatste van zijn zeven kinderen. ìHij was op 27 juli 1891 geboren en op zijn vijfde in Vreeswijk komen wonen. Nadat hij een tijd op een stoomsleepboot had gevaren, begon hij ongeveer een jaar na zijn huwelijk voor zichzelf. Mijn ouders hebben elkaar waarschijnlijk leren kennen omdat ze allebei aan de Wiersdijk woonden. De geschiedenis zou zich herhalen: ook zijzelf trouwde met de buurjongen. Vader heeft bij scheepswerf Van Zutphen een roeiboot laten maken. Die kostte 400 gulden, een boel geld, zeker in die crisistijd van de jaren dertig. De boot had geen dollen, maar speciale pinnen, zodat hij de spanen in het water kon laten hangen als hij aanhaakte bij de schepen na het verlaten van de sluis. Op de boot zelf was geen plek.
Vader van Ieperen handelde in internationale manufacturen: Manchester (corduroy-GFE)broeken, Engelse truien, Belgische petten, dichte Deense
schoenklompen en Franse rubberen klompen. Elke ochtend werd de boot ingeladen en 's avonds weer uitgeladen. Als kinderen hielpen we daarbij voor
en na schooltijd. We gingen niet mee venten, ook niet in de vakanties, vader deed dat helemaal alleen.' De handelswaar werd thuis opgeslagen: 'We woonden in het voorste deel van de Oranjerie van huis De Wiers.
We hadden geen gas, waterleiding en elektrisch. Er was wel een waterpomp op het erf van onze achterburen, maar in dat water zat te veel ijzer, daar werd je ziek van. Daarom gebruikten we water uit de Vaartse Rijn, dat tegenwoordig
het Merwedekanaal heet. Drinkwater haalden we met twee emmers bij familie Bos, zo'n driehonderd meter van ons huis. Zij waren wel op de waterleiding
aangesloten. Ons huis was oud en vochtig, het was een kwartier lopen naar school, maar voor ons was het een paradijs. Rondom water, de boot lag bij
huis (foto 2).
Van Ieperen roeide elke dag naar de Koninginnensluis. Behalve manufacturen verkocht hij ook kleine boodschappen als koffie, thee, suiker en ontbijtkoek.
In 1938 kocht hij een boot met motor. Dat was ook wel nodig want hij 'verhuisde' naar de Beatrixsluis: Hij moest helemaal omvaren via de sluis van
Jutphaas en dan 's avonds weer terug. Hij mocht niet venten op de Lek, daar had hij geen vergunning voor. Hij had een petroleumstel aan boord om thee te
zetten, boterhammen nam hij van huis mee.
Bij het uitbreken van de oorlog, in de meidagen van 1940, ging de parlevinker aanvankelijk nog vol goede moed naar de sluis,
maar al snel bleek dat toch te gevaarlijk. Tijdens de bezetting ging het werk door, maar de handel verliep moeizamer: Het was meer ruilhandel, aan geld had je niets. Mijn vader heeft waren achtergehouden voor ons zelf, je wist niet hoelang de oorlog zou duren. We hebben de hele tijd echte koffie en thee gehad. Mijn moeder had aan het eind van de oorlog zelfs nog zestien pakjes thee over, verstopt in een klein koffertje.' Het was ook gevaarlijk:
'Mijn broer, die opgeroepen was voor de Arbeitseinsatz, zat ondergedoken bij onze oom op de sleepboot. Die is beschoten door de Engelsen. De ketel is geraakt, gelukkig stonden zij ver genoeg weg, het konijn dat in de machinekamer zat, was helemaal gaar gestoomd. Bij de bevrijding is in Vreeswijk niet echt gevochten. Er waren wel twee Duitsers veertien dagen lang bij ons ingekwartierd. De een was erg Nazi, de oudere man viel wel mee. Toen het bericht kwam dat Hitler zelfmoord had gepleegd, zijn ze naar een schip gegaan en hebben ze Hitler begraven. Geen idee wat ze daar gedaan hebben, maar zo zeiden ze dat.'
Na de oorlog pakte Albert van Ieperen zijn beroep weer op, tot zijn 65e verkocht hij zijn goederen op het Merwedekanaal. 'Die bestelde hij zelf bij de fabriek. Van Gend en Loos bezorgde de lading met de bestelwagen in het dorp en dan bracht een bezorger die met de transportfiets bij ons thuis. Er kwamen ook vaak reizigers, vertegenwoordigers, aan de deur om hun waren aan te prijzen en te verkopen.' Geen van de kinderen wilde het parlevinken overnemen.
'Vader heeft alles verkocht, ook zijn boot. Hij heeft er nooit over gepraat of hij dat erg vond. Ongeveer twee jaar later zijn mijn ouders naar de
Wierselaan verhuisd. De laatste jaren woonde hij bij zijn vrouw in een verzorgingshuis: Ze was erg gaan dementeren en kon niet meer thuis wonen.
Vader kon niet alleen zijn en is later naar hetzelfde tehuis gegaan. Dat was erg, hÌj was geestelijk gezond. Hij is in januari 1974 overleden en op het kerkhof bij het fort begraven. Zo keerde hij terug naar het stukje Vreeswijk waar zijn leven zich had afgespeeld: de omgeving van De Wiers.'
Sinds lange tijd worden de bewoners van Jutphaas aangedudl als "De Molenkruier". Deze bijnaam schijnt ontstaan te zijn na 1680, toen het dorp werd getroffen door een grote brand. Overigens had de Jutphase korenmolen al tientallen jaren daarvoor landelijke bekendheid gekregen.
In het oude dorp Jutphaas stond aan het begin van de zeventiende eeuw een korenmolen aan de Molensteeg. Die steeg bestaat nu nog, maar de naam is verdwenen en de steeg is een deel van de Herenstraat. Ze is gelegen tussen de panden Herenstraat 30 en 31. De molen moet achterin de steeg hebben gestaan. Archeologisch onderzoek heeft uitgewezen, dat dat klopt; er zijn restanten van een fundering gevonden en verkoolde houtresten die zouden kunnen herinneren aan de brand van 1680. De plaats van de vondsten is het gemakkelijkst aan te duiden als grenzend aan het grondgebied van de voormalige bakkerij van de familie Luiten.
Rondom de molen is in de zeventiende eeuw enorm veel te doen geweest. De ambachtsheer van het Over- en Nedereind van Jutphaas, tevens bewoners / eigenaar van kasteel Plettenburg, Louis de Malapert, speelde in het geheel een belangrijke rol. Als al het eigendom van de molen niet werd betwist, dan ging het wel om het molenrecht of het onderhoud van de dorpse korenmolen. De ruzies liepen zo hoog op, dat er tot heel ver in het land over werd gesproken en geschreven.
De Delftse dichter Stalpaert van der Wiele, die in 1630 overleed, schreef zelfs
een uitvoerig gedicht over de molenperikelen en de ellende, die daarmee gepaard ging. Zijn gedicht eindigde met de volgende regels:
"Wie kan ít de meulen wijten?
de meulenaer is de dwaes.Of laet dan, dus te krijten.
Of komt mij te Jutfaes beschuldigen met rede.
Want dat is de eigen stede
daer ít malle meulenrecht
bepleit te worden plecht."
De algemene bekendheid van de Jutphase molen uitte zich ook door het bekend worden van een gezegde: "Dat hen het hoofd draaide als de Jutfase molen" schreef Lambertus van Velthuysen in het midden van de zeventiende eeuw. In 1680 werd het dorp Jutphaas geteisterd door een grote brand. Veel houten gebouwen gingen in vlammen op en ook de korenmolen liep gevaar. De inwoners van het dorp schijnen de kop van de molen uit de vuurzee te hebben gered en, zoals toen meer gebeurde, werd de kop van de molen op een wagen naar een andere plaats gereden.
In dit geval was het doel van de rit een plaats nabij de Doorslag, waar nu de
pas gerestaureerde molen 'De Batavier' staat. Zonder schade is de molen daar niet aangekomen, want onderweg kantelde de wagen en viel de kop van de molen in het zand. Dat moet gebeurd zijn ter hoogte van wat later "De Valom" werd genoemd, thans de huizen Herenstraat 55 en 55a.
Tot 1970 stonden stonden daar drie huisjes met karakteristieke topgeveltjes, die met de naam "De Valom" werden aangeduid. Die huisjes stamden uit de zeventiende eeuw; ze zijn in 1971 afgebroken. Ze waren gebouwd na de brand van 1680 en werden toen voldoende van omvang gevonden om er zes gezinnen in onder te brengen. Aan de voorzijde waren drie ingangen en via het achterom nog eens drie. Bij de brand van 1680 ging een oude boerderij verloren, die op die plek stond. Gedeeltelijk op de fundering van die boerderij waren de huisjes gebouwd. Bij de sloop kwam de fundering van de oude boerderij tevoorschijn.
De half mislukte verhuizing van de overbekende molen bezorgde de Jutphase inwoners hun bijnaam "De Molenkruier".